In deze tekst wordt ingegaan op de publicaties tussen september 1999 en
nu en wordt verslag gedaan van congresbezoek en persoonlijke communicatie
met collega's in binnen en buitenland. Wat in de medische literatuur
is uitgekomen staat op bijgevoegde referentielijst vermeld.
Aan deze
lijst moet het zeer recente artikel toegevoegd worden van Mieke van
Haelst en collega's in het American Journal of Medical Genetics (2000);
1994:170-173 (zie
referentie).
Zij beschrijven twee kinderen waarbij onverwachte en
levensbedreigende complicaties optraden. Het eerste patiëntje had
een ernstige vernauwing van de rechter hoofdbronchus waarvoor chirurgie
nodig was. Daarbij had hij een galgangatresie waarvoor ook chirurgie
nodig was. Het tweede kind dat hier beschreven wordt werd geboren met
een hernia van het diafragma (middenrifbreuk), een aandoening die
meerdere keren bij Kabuki syndroom beschreven is. Als gevolg van dit
aangeboren gebrek had hij onderontwikkeling van de longen.
Voedingsproblemen bleken op ernstige reflux te berusten. Hij onderging
vele chirurgische ingrepen en overleed uiteindelijk op 3 jarige leeftijd
aan de gevolgen van alle problemen. Van beide kinderen staat een foto
in het artikel die klopt met de klinische diagnose van Kabuki syndroom.
Winnie Courtens en haar collega's uit Brussel (zie
referentie),
een moeder en een dochter waarmee zij verder willen onderbouwen dat
Kabuki syndroom autosomaal dominant overdraagbaar kan zijn. In het
artikel staat een overzicht van de bekende familiaire situaties met
Kabuki syndroom tot op heden. Bij dit artikel wil ik een kanttekening
maken. Persoonlijk ben ik niet overtuigd van de klinische diagnose in
deze moeder met kind. Hetzelfde heb ik vorig jaar ook aangegeven want
deze publicatie was toen als voordracht gepresenteerd op het congres
over dysmorfologie in Straatsburg. In het overzicht over familiaire
situaties staat ook de publicatie van Ilyina uit 1995 vermeld. Deze
publicatie is wegens gebrek aan foto's niet te controleren en moet
in mijn ogen gewantrouwd worden.
Gabrielli en collega's uit Milaan (zie
referentie) beschrijven in een
kinderartsentijdschrift de behandeling met groeihormoon in twee
patiënten met Kabuki syndroom. De klinische diagnose bij
patiënt 1 is op grond van de gegevens en de foto (slechte
kopie), moeilijk te bevestigen. De tweede patiënt heeft in
mijn ogen zeker geen Kabuki syndroom. Algemene boodschap hierbij
is dat de groei van elk kind individueel bekeken moet worden als
er aanwijzingen zijn voor een groeihormoontekort dat er een
indicatie ligt om deze behandeling te starten. Een Belgische
patiënt beschreven door prof. Koen Devriendt krijgt deze
therapie.
Uit Japan komt het artikel van Igawa en collega's (zie
referentie) over
binnenoorafwijkingen in Kabuki syndroom. Zij beschrijven drie
patiënten met een klinisch overtuigende of zeer waarschijnlijke
diagnose die alle drie dysplasie (verkeerde aanleg) van het binnenoor
hadden. Dit is eerder bij een Frans patiëntje ook gemeld. Het
lijkt verstandig om bij de Kabuki kinderen, in elk geval als er
gehoorsproblemen zijn, een CT of MRI-onderzoek van het binnenoor
te laten doen. Vroege behandeling is hier mogelijk aan de orde.
Irma Kluijt en collega's uit de VU in Amsterdam (zie
referentie), in samenwerking
met Franse en Amerikaanse en Deense collega's, beschrijven 6
patiëntjes met Kabuki syndroom en besteden speciale aandacht
aan de oogkenmerken. De patiënten zijn allen met foto vermeld
en zijn klinisch correct gediagnosticeerd. Omdat er een grote
variatie aan oogkenmerken inmiddels beschreven is raden zij routine
oogonderzoek aan bij elke patiënt met Kabuki syndroom. Zij
geven ook een overzicht wat er inmiddels in de medische literatuur
aan oogafwijkingen bij Kabuki syndroom gepubliceerd is en hoe vaak.
Strabisme (scheel zien) en blauw zien van het oogwit komen erg vaak
voor (43 keer resp. 44 gemeld). Tien keer vermeld inmiddels is een
te klein oog/ een te klein hoornvlies, of een coloboma. Negen keer
staat de melding verziend of bijziend vermeld. Doffe hoornvliezen
of Peters anomalie (een aandoening van de voorste oogkamer) zijn
vijf keer vermeld, staar drie keer. In incidentele gevallen worden
dan nog nystagmus (trillen van het oog), verlammingen van een
oogspier, en te groot hoornvlies of retina veranderingen gemeld.
Uit Italië (A. Donadio en collega's) (zie
referentie) kwam in 2000 een korte
melding over Kabuki syndroom en diafragma defecten. Zij beschrijven
een Italiaanse patiënt met een diafragma afwijking. De foto van
dit meisje in mijn ogen echter niet passend bij Kabuki syndroom.
Uit Manchester beschreven door Julie M. McGaughran, samen met
Dian Donnai en Jill Clayton-Smith, (zie
referentie) de melding over galgangatresie
bij Kabuki syndroom. Deze aandoening werd chirurgisch behandeld.
Op 4 maanden werd de klinische diagnose Kabuki syndroom gesteld.
Hoewel geen foto bij deze korte publicatie staat, heb ik vertrouwen
in deze melding gezien de tekst en de herkomst van het artikel.
Het laatste artikel dat hier besproken wordt is dat van Di Gennaro
en collega's uit Rome (zie
referentie).
Zij vestigden de aandacht op de centrale
zenuwstelselafwijkingen die beschreven zijn bij Kabuki syndroom.
Zij meldden het verhaal van een Italiaans kind met Kabuki syndroom
die ook epilepsie kreeg. Op de MRI van de hersenen werden
veranderingen in de hersenenwindingen gezien (polymicrochirie). Zij
vatten de literatuur samen over hersenaanlegstoornissen bij kinderen
met Kabuki syndroom. Hierin is geen vaste lijn te ontdekken. Er zijn
kinderen met een kleine schedel zonder hersenaanlegproblemen maar ook
kinderen met een cyste of met een wat kleinere kleine hersenen,
veranderingen in de verhouding witte en grijze stof, of onrijpheid
in het algemeen.
In mei jl. was het congres van de European Society of Human
Genetics in Amsterdam. Dr. C. Schrander-Stumpel had daar samen met
dr. J. Schrander, kinderarts, een posterpresentatie over het
raakvlak tussen de klinische genetica en de kindergeneeskunde.
Zij hebben daar zo hun ideeën over en doen al jarenlang
samen poli voor wat zij de bijzondere kinderen noemen. Deze
poster werd geïllustreerd met twee patiëntenverhalen.
Martijn Vergouwen was een van de patiënten. Kabuki syndroom
is een van de medische diagnose die vragen om een multidisciplinaire
aanpak. Deze poster zal ook getoond worden op de nascholing voor
kinderartsen door de afdeling kindergeneeskunde van het academisch
ziekenhuis Maastricht. Deze nascholing vindt twee keer plaats met
hetzelfde programma en wel op 28 september 2000 en op 12 oktober
2000. Ook zal de poster nog eens vertoond worden op het
najaarssymposium van de Nederlandse Anthropogenetische Vereniging
te Noordwijkerhout. De presentatie van de poster op het congres in
Amsterdam trok veel belangstelling en heeft onder meer geresulteerd
in een uitnodiging door het bestuur van de European Society of
Human Genetics om naar Helsinki te komen. September jl. werd te
Helsinki een workshop gehouden over "genetic services", met andere
woorden hoe de klinische genetica het beste de bevolking c.q. de
patiënten zou kunnen bereiken. Dr. Schrander-Stumpel vertelde
tijdens deze workshop over haar ervaringen als twee specialisten
(de klinisch geneticus en de kinderarts) samenwerken en hoe dit ten
voordele van de kinderen en hun ouders kan en moet zijn.
In augustus werd de 21e David W. Smith Workshop in San Diego, USA,
bezocht. Er was een poster over Kabuki syndroom. Helga Toriello
meldde dat in de Amerikaanse groep Kabuki kinderen ca 40% met de
ogen open slaapt, in vergelijking met ongeveer 5% in de algemene
bevolking.
Eveneens vond in augustus het wereldcongres van de IASSID (de
internationale organisatie voor wetenschappelijke studie naar
verstandelijke beperkingen) in Seattle (VS) plaats. Op dit
vierjaarlijks wereldcongres waren meer dan 1200 sprekers met
evenzoveel bijdragen over een veelheid van onderwerpen. Het
Kabuki syndroom kwam hier aan de orde in een bijdrage van
dr. Curfs en dr. Schrander.
Begin september werd de 11e Meeting on Dysmorpology
in Straatsburg bezocht. Ook hier was geen enkele voordracht over
Kabuki syndroom, wel op de "unknown sessie" de vraag naar het
syndroom bij een paar kinderen; het antwoord was steeds "nee".
Begin november zal dr. Schrander de Birth Defects Meeting te
Manchester bezoeken. Als hier relevante informatie naar voren
komt, wordt dit aan de voorzitter van het Netwerk gemeld.
Met vele collega's en binnen en buitenland werd de afgelopen
maanden gesproken en werden geen doorbraken richting de oorzaak
van het Kabuki syndroom gehoord. Mw. Vergouwen gaf het e-mail
adres van Karen Russell door dat op de website vermeld stond
en waar voor bloedonderzoek (gericht op de oorzaak) geworven
werd. Recent werd telefonisch overlegd met prof. Jeffrey Ming
in Philadelphia, de "baas" van Karen Russell. Hij vertelde mij
dat er geen concreet idee is waar men het gen voor Kabuki
syndroom moet zoeken. Wat zij momenteel doen is bloed van het
kind en zijn of haar ouders prikken, DNA isoleren en opslaan
totdat men wel een concreet idee heeft. Vaak wordt in de
genetische research gebruik gemaakt van zogenaamde muizenmodellen
(een muis die de aandoening heeft die bij de mens ook herkend
wordt). Voor Kabuki syndroom is echter geen muizenmodel
herkend of beschikbaar. Wij hebben samen wat gefilosofeerd over
onze ideeën over mogelijke oorzaken en we leken het volledig
eens te zijn. Hij had recent gesproken met dr. Niikawa die
in algemeenheden zei dat er aan gewerkt wordt.
Zoals de lezer bekend, adviseert dr. Schrander-Stumpel met
klem dat alle kinderen met een klinische diagnose van Kabuki
syndroom heel goed zijn onderzocht in het chromosoomlaboratorium,
liefst met de allernieuwste technieken. In haar overtuiging zal
in een subgroep van de kinderen met Kabuki syndroom een kleine
chromosoomafwijking gevonden worden. In een volgende
nieuwsbrief komen wij hier waarschijnlijk op terug.