Artikelen uit de nieuwsbrieven

 


Sensorische intergratie

Frans Faase

Nieuwsbrief nummer 5, januari 2001

Dit artikel is gebaseerd op het artikel "Sensory Integration" geschreven door Cindy Hatch-Rasmussen, dat gevonden kan worden op www.autism.org. Het artikel is interessant omdat veel van de genoemde gedragingen ook bij kinderen met het Kabuki Syndroom worden gezien.

Sensorische integratie is het process waarbij we als kind leren om allerlei prikkels te onderscheiden en te plaatsen. Het is een aangeboren proces dat plaats vind zonder dat we er erg in hebben. Het begint al voordat we geboren worden. Het leert ons om allerlei prikkels te begrijpen en met elkaar in verband te brengen. Als de sensorische integratie bij een kind echter niet goed verloopt, kan het problemen opleveren in de ontwikkeling, het gedrag en het leren van het kind.

Sensorische integratie richt zich hoofdzakelijk op drie zintuigen: de tastzin, het evenwichtgevoel, en het standgevoel. Alhoewel deze zintuigen veel minder bekend zijn dan het gezichtsvermogen en het gehoor, zijn ze toch van belang voor onze overleving. Ze helpen ons om allerlei signalen uit onze omgeving te ervaren, te intepretern en er op te reageren. Laten we ze een voor een bekijken.

De tastzin bestaat uit het waarnemen van aanraking, pijn, temperatuur en druk op onze huid. Deze signalen bepalen in grote maten hoe we onze omgeving ervaren en beschermen ons tegen gevaren, zoals bijvoorbeeld vuur. Als de tastzin gestoord is kan dit betekenen dat deze signalen te zwak of te sterk worden ervaren. Als de tastzin niet goed werkt uit dat zich in niet aangeraakt willen worden, de weigering om bepaalde soorten voedsel te eten, en/of om bepaalde kleren niet te willen dragen. Ook kan het voorkomen dat het wassen van het gezicht als vervelend wordt ervaren, of dat men een hekel heeft aan vieze handen, niet met klei wil spelen, een hekel heeft aan vingerverf. Ook kan het gebeuren dat men dingen alleen met de vingertoppen aanpakt i.p.v. met de hele hand. Het kan ook tot gevolg hebben dat aanraking en pijn verkeerd worden uitgelegd, wat kan leiden tot afzondering, geirriteerdheid, snelafgeleid zijn en hyperactiviteit.

Het evenwichtgevoel ontstaat door het evenwichtorgaan wat zich in de binnenoor bevind. Het neemt de stand van het hoofd en hoofdbewegingen waar. Storingen aan het evenwichtgevoel kunnen zich op twee manieren uiten. Kinderen met een overgevoelig evenwichtgevoel hebben een hekel aan schommelen, schuitje varen, naar beneden glijden en dergelijke. En er met angstreacties daarop reageren. Dit soort kinderen kunnen ook moeite hebben met naar boven en naar beneden gaan via een trap of heuvel. Ook ze houden niet van onregelmatige oppervlakten en kunnen ze onhandig overkomen. Anderzijds zijn er ook kinderen met een ondergevoelig evenwichtorgaan. Dit soort kinderen zoek juist allerlei intense bewegingservaringen op, zoals heel druk bewegen, springen en rondtollen. Ook kan het voorkomen dat ze met hun hoofd liggen te draaien of steeds nee schudden.

Het standgevoel is het gevoel waarbij we onbewust de stand van onze ledenmaten weten zonder die te zien. Het standgevoel geeft onze hersenen de signalen die het mogelijk maken om in een stoel te zitten en gemakkelijk ergens over heen te stappen. Het helpt ons ook om te kunnen schrijven met een pen, soep te eten met een lepel en knopen vast te maken. Dat het standgevoel niet goed werkt uit zich in onhandigheid, een neiging om vaak te vallen, het aannemen van ongebruikelijke houdingen, het als kind niet willen kruipen en/of op een slordige manier eten. Problemen met het standgevoel hebben ook invloed op het uitvoeren van motorische taken.

Problemen met sensorische integratie kunnen zich op velen manieren uiten. Het kind kan hyperactief zijn of juist weinig bewegen en snel moe worden. Bij sommige kinderen zie je juist een afwisseling tussen hyperactief en inactief zijn. Storingen in de groffe en fijne motoriek komen vaak voor en kunnen ook leiden to spraak problemen en matige intellectuele prestaties. In hun gedrag kunnen kinderen impulsief zijn en makkelijk afgeleid worden. Ook kunnen ze moeite hebben om activiteiten te plannen en organiseren. Sommige kinderen kunnen erg heftig reageren op nieuwe situaties met frustratie, aggressie en teruggetrokkenheid.

Als je dit zo leest lijkt het er op dat veel Kabuki kinderen problemen hebben met hun sensorische integratie. Het verklaart in ieder geval veel van de typische gedragingen die je bij hen ziet. Misschien dat een aantal andere gedragingen ook er mee te maken hebben, zoals Het flapperen met de handen, het kauwen op kleding en het niet houden van bepaalde soorten voedsel wat betreft hun consistentie. In het artikel wordt verder gesteld dat physiotherapie en bezigheidstherapie kunnen helpen bij het verbeteren van de sensorische integratie. Wellicht dat (pre-)logopedie, gezien de problemen in het mondgebied, hier ook aantoe gevoegd moet worden. Het is dan vooral belangrijk om de verschillende soorten prikkels op een gestructueerde manier aan te bieden zodat het kind ze kan leren begrijpen en correct interpreteren.

NKS home page || Feiten over Kabuki || Naslag materiaal || Discussielijst
Gerelateerde pagina's || Professionele adviesraad || Over het NKS

Bedankt voor Uw bezoek
© 2003, Netwerk Kabuki Syndroom.