Dit artikel is gebaseerd op het artikel "Sensory
Integration" geschreven door Cindy Hatch-Rasmussen, dat gevonden
kan worden op www.autism.org.
Het artikel is interessant
omdat veel van de genoemde gedragingen ook bij kinderen
met het Kabuki Syndroom worden gezien.
Sensorische integratie is het process waarbij we als kind
leren om allerlei prikkels te onderscheiden en te plaatsen.
Het is een aangeboren proces dat plaats vind zonder
dat we er erg in hebben. Het begint al voordat we geboren
worden. Het leert ons om allerlei prikkels te begrijpen en
met elkaar in verband te brengen.
Als de sensorische integratie bij een kind echter niet goed
verloopt, kan het problemen opleveren in de ontwikkeling,
het gedrag en het leren van het kind.
Sensorische integratie richt zich hoofdzakelijk op drie
zintuigen: de tastzin, het evenwichtgevoel, en het standgevoel.
Alhoewel deze zintuigen veel minder bekend zijn dan het
gezichtsvermogen en het gehoor, zijn ze toch van belang
voor onze overleving. Ze helpen ons om allerlei signalen
uit onze omgeving te ervaren, te intepretern en er op
te reageren. Laten we ze een voor een bekijken.
De tastzin bestaat uit het waarnemen van aanraking, pijn,
temperatuur en druk op onze huid. Deze signalen bepalen in
grote maten hoe we onze omgeving ervaren en beschermen ons
tegen gevaren, zoals bijvoorbeeld vuur.
Als de tastzin gestoord is kan dit betekenen dat deze
signalen te zwak of te sterk worden ervaren. Als de tastzin
niet goed werkt uit dat zich in niet aangeraakt willen worden,
de weigering om bepaalde soorten voedsel te eten, en/of om
bepaalde kleren niet te willen dragen. Ook kan het voorkomen
dat het wassen van het gezicht als vervelend wordt ervaren,
of dat men een hekel heeft aan vieze handen, niet met klei
wil spelen, een hekel heeft aan vingerverf.
Ook kan het gebeuren dat men dingen alleen met de vingertoppen
aanpakt i.p.v. met de hele hand.
Het kan ook tot gevolg hebben dat aanraking en pijn verkeerd
worden uitgelegd, wat kan leiden tot afzondering, geirriteerdheid,
snelafgeleid zijn en hyperactiviteit.
Het evenwichtgevoel ontstaat door het evenwichtorgaan wat zich
in de binnenoor bevind. Het neemt de stand van het hoofd en
hoofdbewegingen waar. Storingen aan het evenwichtgevoel
kunnen zich op twee manieren uiten.
Kinderen met een overgevoelig evenwichtgevoel hebben een
hekel aan schommelen, schuitje varen, naar beneden glijden
en dergelijke. En er met angstreacties daarop reageren. Dit
soort kinderen kunnen ook moeite hebben met naar boven
en naar beneden gaan via een trap of heuvel. Ook ze houden
niet van onregelmatige oppervlakten en kunnen ze onhandig
overkomen.
Anderzijds zijn er ook kinderen met een ondergevoelig
evenwichtorgaan. Dit soort kinderen zoek juist allerlei
intense bewegingservaringen op, zoals heel druk bewegen,
springen en rondtollen. Ook kan het voorkomen dat ze met
hun hoofd liggen te draaien of steeds nee schudden.
Het standgevoel is het gevoel waarbij we onbewust de
stand van onze ledenmaten weten zonder die te zien.
Het standgevoel geeft onze hersenen de signalen die
het mogelijk maken om in een stoel te zitten en gemakkelijk
ergens over heen te stappen. Het helpt ons ook om te
kunnen schrijven met een pen, soep te eten met een lepel
en knopen vast te maken.
Dat het standgevoel niet goed werkt uit zich in
onhandigheid, een neiging om vaak te vallen, het aannemen
van ongebruikelijke houdingen, het als kind niet willen kruipen
en/of op een slordige manier eten.
Problemen met het standgevoel hebben ook invloed op het uitvoeren
van motorische taken.
Problemen met sensorische integratie kunnen zich op
velen manieren uiten. Het kind kan hyperactief zijn of juist
weinig bewegen en snel moe worden. Bij sommige kinderen zie
je juist een afwisseling tussen hyperactief en inactief zijn.
Storingen in de groffe en fijne motoriek komen vaak voor
en kunnen ook leiden to spraak problemen en matige intellectuele
prestaties. In hun gedrag kunnen kinderen impulsief zijn en
makkelijk afgeleid worden. Ook kunnen ze moeite hebben om
activiteiten te plannen en organiseren. Sommige kinderen
kunnen erg heftig reageren op nieuwe situaties met frustratie,
aggressie en teruggetrokkenheid.
Als je dit zo leest lijkt het er op dat veel Kabuki kinderen
problemen hebben met hun sensorische integratie. Het verklaart
in ieder geval veel van de typische gedragingen die je
bij hen ziet. Misschien dat een aantal andere gedragingen
ook er mee te maken hebben, zoals Het flapperen met de handen,
het kauwen op kleding en het niet houden van bepaalde soorten
voedsel wat betreft hun consistentie.
In het artikel wordt verder gesteld dat physiotherapie en
bezigheidstherapie kunnen helpen bij het verbeteren van de
sensorische integratie. Wellicht dat (pre-)logopedie, gezien
de problemen in het mondgebied, hier ook aantoe gevoegd moet
worden. Het is dan vooral belangrijk om
de verschillende soorten prikkels op een gestructueerde
manier aan te bieden zodat het kind ze kan leren begrijpen
en correct interpreteren.